donderdag 8 maart 2012

Plan

Hoe ik er terecht gekomen ben, zal ik vast nog wel eens aankaarten. Het doet er even niet toe.

Al weer een jaar of acht, negen terug legden wij een bezoekje af bij vrienden van mijn Indonesische schone. Stelt u zich een traditioneel Javaans huis voor. Midden in een volgeplempte kampung in Jakarta (nou ja, Tangerang eigenlijk, maar die twee steden zijn compleet met elkaar vergroeid).

De patio voor het huis is geheel ommuurd. Rijke lui, want dat laten ze zien: een kennel op de patio met zo'n tien (grote) rashonden. Honden, op Java, dat voor het overgrote deel Islamitisch is. De K9s op Java hebben geen leven -- doorgaans, maar deze canines dus wel.

De vrouw des huizes, van wie mij met de beste wil van de wereld de naam maar niet te binnen wil schieten, nodigt ons naar binnen. Binnen zit nog een pet, een wit schoothondje. Wij aan de thee. Ditjes en datjes, koetjes en kalfjes. In Indonesië gaat het nooit ergens over. Op een gegeven moment komt er een enorm geraas van achter in het huis. Enige beschaamdheid op het gelaat van de gastvrouw. Istriku (we waren 'getrouwd') gebaart me "kom maar eens kijken". Trots, in feite, wat heeft ze toch bijzondere vrienden. Achterin dit donkerste deel van het huis (geen enkel raam, geen zicht op daglicht) staat een grote kooi, met polsdikke spijlen. Waarin zich, ach, u weet het al, het plaatje is een dead giveaway. Een meisje, zes jaar, aan het puberen, vandaar die herrie, jaloers, dat ook aandacht wil. Te groot en te sterk geworden om uit de kooi (van twee bij twee bij twee metertjes, geen enkel speeltje godverdomme) te mogen, om geknuffeld te worden bijvoorbeeld, dat is te gevaarlijk nu. Terwijl me dat alles wordt uitgelegd, grijpt het kind naar mijn hand (de ogen van mijn istri zeggen 'voorzichtig!').

Ze bestudeert mijn hand zoals ik die van haar. Die van mij is natuurlijk vreemd omdat ik een bule ben, een belanda. Ik heb nog nooit een orangmeisjeshand gezien, laat staan vastgehouden. Wat een lange vingers, wat een kort duimpje. We kijken elkaar in de ogen. Wat ik zie, is: daar woont iemand -- dit is een PERSOON.

De volgende dag race ik op mijn sepeda motor naar Ragunan, de dierentuin, een halfuurtje jakkeren van ons huis. Op de primatenafdeling spreek ik een Duitse primatologe in haar taal, die ik dankzij de vroege aanwezigheid van een of meerdere televisietoestellen in het ouderlijke huis, al voor mijn achtste verstond. (Ook dat komt vast nog wel eens ter sprake.) Das Fräulein legt mij het een en ander uit. Het is al sinds de koloniale tijd (1932, meen ik) harstikke verboden orangs "te houden", zoals dat heet. Niettemin worden overtreders niet beboet of anders gestraft als ze meewerken deze dieren over te brengen naar rehabilitatiecentra, waarvan er diverse zijn, op Sumatra en Sulawesi.

Tot op de huidige dag voel ik me er schuldig over dat ik niet verder heb gehandeld. Het kon niet, meende ik, ik zou met de nek zijn aangekeken door de hele familie, en door de hele vriendenkring.

Fast forward. Een jaar geleden. Overdag komt een programma voorbij dat doorgaans geheel aan mij voorbij gaat, De Reünie. In de klas zit Willie Smit, die op Sulawesi Utara zo'n apencentrum runt. Ik ben geroerd. Een plan nestelt zich in mijn bovenkamer, daar waar mijn hart zetelt. Daar wil ik heen. Om het goed te maken.

Ik heb me gisteren aangemeld.
__________________________________
UPDATE    Een uitgebreid virtueel informatiepakket in de mail. Zucht, dit gaat waarschijnlijk dit jaar niet meer lukken. Ook om andere redenen dan de zware eisen die het Rescue Center (terecht) aan de vrijwilligers stelt. (Daarover morgen meer.) Ook de papierwinkel is enorm. Afijn, ik hou u op de hoogte.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten